2009: 72 jaar Wit-Gele Kruis
De geschiedenis en evolutie van het Wit-Gele Kruis is te boek gesteld en uitgegeven door het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen i.s.m. KADOC-K.U.Leuven 2007. (ISBN 9789078192053 ; auteur: Sophie Baré). Dit rijk geïllustreerde boek bevat zowel foto’s en affiches, als grafieken en kaarten.
Dit boek kan nog steeds besteld worden: klik hier voor bestelinfo.
Uit deze geschiedschrijving volgt hier 'Zeventig jaar in vogelvlucht' (boek blz. 145-147).
Bij de stichting van het Wit-Gele Kruis in 1937 werd als doel gesteld een degelijke, continue en patiëntgerichte thuisverplegingsorganisatie uit te bouwen. De vereniging richtte zich in principe tot alle zieken, ongeacht hun politieke of filosofische overtuiging. Zeventig jaar later kan worden gesteld dat dat doel bereikt is. Het Wit-Gele Kruis verleent kwaliteitsvolle thuisverpleging aan alle zieken die verzorging nodig hebben. De vereniging telt vandaag in Vlaanderen meer dan 5.000 verpleegkundigen, die jaarlijks bijna 150.000 patiënten thuis verzorgen.
Zeventig jaar in vogelvlucht
Het Wit-Gele Kruis kent een lange geschiedenis. Zeventig jaar geleden, in 1937, werd de organisatie in Gent opgericht door de arts Henri Van de Putte en de jezuïet Jozef Bogaerts. Zij wilden in de eerste plaats kwaliteitsvolle thuisverpleging bieden aan (arme) zieken. Maar de stichters hadden ook bredere, maatschappelijke doelen voor ogen. Het Wit-Gele Kruis was een antwoord op de groeiende overheidsinvloed in de gezondheidszorg en als katholieke thuisverplegingsorganisatie ook een middel in de strijd tegen de secularisering. Een paar maanden na de stichting in Gent werd in Brugge een Wit-Gele Kruisafdeling opgericht, waarna het hele land volgde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef de uitbreiding vrij beperkt. Ze hernam op het einde van de jaren 1940 en in de jaren 1950. De vereniging kreeg toen ook meer naambekendheid. Ze steunde op dat moment sterk op lokale (meestal informele) caritatieve netwerken rond de parochieclerus en ‘dames d’oeuvres’. De grootste groei kende het Wit-Gele Kruis na de ondertekening in 1963 van het Nationaal Protocol met de christelijke ziekenfondsen en Caritas Catholica. Die samenwerking was het begin van een sterke expansie van het aantal patiënten, verzorgingen, verpleegkundigen en afdelingen. Tien jaar later, in 1972, bediende de vereniging het hele Belgische grondgebied.
Op organisatorisch vlak maakte het Wit-Gele Kruis een hele evolutie door. Het organisatieschema werd niet alleen ingewikkelder, ook het zwaartepunt verschoof. Aanvankelijk was de vereniging lokaal georganiseerd. Onder impuls van Elisabeth Stulemeyer werden in de jaren 1940 de meeste plaatselijke en sommige gewestelijke afdelingen geïntegreerd in een Nationale Federatie. Tot het begin van de jaren 1960 lag het zwaartepunt op nationaal vlak. Het Nationaal Protocol van 1963 vormde de aanleiding voor de oprichting van negen provinciale vzw’s. Die verenigingen werden na verloop van tijd het belangrijkste beleidsniveau, weliswaar in samenspraak met de Nationale Federatie. In de tweede helft van de jaren 1990 gingen de Vlaamse en Waalse Wit-Gele Kruisverenigingen elk hun eigen weg. Er ontstonden twee nieuwe koepelstructuren: de Fédération de l’Aide et des Soins à Domicile asbl (1996) en Het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen vzw (1998). De vzw Het Wit-Gele Kruis van België werd in 2004 ontbonden.
In de loop van zeventig jaar geschiedenis evolueerde ook het takenpakket van het Wit-Gele Kruis. Het bieden van kwaliteitszorg bleef echter de centrale opdracht. In de beginjaren werd niet alleen aan technische verpleging gedaan, zoals het geven van inspuitingen, hygiënische verzorging, wondverzorging of het zetten van laatkoppen. De Wit-Gele Kruisverpleegkundigen hadden ook preventieve en soms zelfs huishoudelijke taken. De thuisverpleging van zieken werd beschouwd als een ‘roeping’. Na de Tweede Wereldoorlog richtte het Wit-Gele Kruis zich, onder andere door een nijpend personeelstekort, vooral op zuiver verpleegkundige taken. Hygiënische verzorging blijft tot op heden belangrijk. Andere handelingen verdwenen en werden vervangen door nieuwe verpleegkundige technieken. Verpleegkundigen werken ook steeds meer met wegwerpmateriaal. De educatie van zieken is tegenwoordig een aparte ‘prestatie’. Er trad bovendien een specialisatie op, bijvoorbeeld met de instelling van de functie van ‘referentieverpleegkundige’. Ook het patiëntenprofiel wijzigde. In de beginjaren werden vooral arme zieken verzorgd, tegenwoordig kan iedereen patiënt zijn. De laatste drie decennia worden steeds meer chronisch zieken en bejaarden verpleegd. Sinds de jaren 1970 breidde het Wit-Gele Kruis zijn dienstenaanbod stelselmatig uit, bijvoorbeeld met diëetdiensten en ziekenoppas.
Enkele krachtlijnen
De interne evolutie van het Wit-Gele Kruis is niet los te zien van de algemene context. Belangrijke scharniermomenten werden mee bepaald door gebeurtenissen op medisch-wetenschappelijk, politiek-institutioneel of sociaal vlak. Zo drukten de ontwikkelingen in de ziekenhuissector hun stempel op de geschiedenis van het Wit-Gele Kruis. Ook de Tweede Wereldoorlog, de instelling van de sociale zekerheid (1945) en de wet-Leburton (1963) hadden een duidelijke invloed. De kracht van het Wit-Gele Kruis was dat het zich telkens wist aan te passen en, ondanks de soms beperkte financiële middelen, altijd trachtte kwaliteit te leveren.
Door die externe invloeden zijn in de zeventigjarige geschiedenis van het Wit-Gele Kruis een aantal krachtlijnen terug te vinden die overeenkomen met die in de thuisverpleging in het algemeen. Dat zijn onder andere de schaalvergroting en toenemende vraag naar thuisverpleging, de zoektocht naar een plaats binnen de gezondheidszorg, de ondersteuning en stuwing door de overheid, de professionalisering en de nadruk op patiëntenwelzijn.
De voorbije zeventig jaar is de vraag naar thuisverpleging aanzienlijk toegenomen. Voor de Tweede Wereldoorlog en zelfs nog in de jaren 1950 nam ze in de georganiseerde gezondheidszorg een bescheiden plaats in. De meeste zieken rekenden op steun van familie of buren, deden een beroep op private verpleegkundigen of kwamen in het ziekenhuis terecht. Medische ontwikkelingen in de jaren 1960 en 1970 maakten een ziekenhuisopname echter relatief duur. Zo ontstond er nood aan een degelijk uitgebouwde thuisverpleging. Dat leidde tot een schaalvergroting van de sector. Ook wetenschappelijke evoluties en de maatschappelijke tendens naar een meer patiëntgerichte gezondheidszorg werkten die in de hand. De toenemende vergrijzing van de samenleving speelde eveneens een aanzienlijke rol. Sinds een aantal decennia neemt het aantal (hoog)bejaarden toe, waardoor het accent in de gezondheidszorg steeds meer komt te liggen op de verzorging van ouderen en chronisch zieken. De vraag naar thuisverpleging (en thuiszorg) neemt daardoor drastisch toe en zal ook in de toekomst waarschijnlijk blijven stijgen.
Het is de verdienste van het Wit-Gele Kruis dat het voor zichzelf en voor de thuisverpleging in het algemeen een plaats in de gezondheidszorg heeft bevochten. Dat was niet altijd evident aangezien verschillende spelers thuisverpleging en thuiszorg naar zich toe probeerden te trekken, zoals ziekenfondsen, sommige geneesheren, ziekenhuizen en zelfstandige verpleegkundigen. Het Wit-Gele Kruis kon zich evenwel handhaven en bevocht een eigen plaats voor de thuisverpleging in de gezondheidszorg. De visie en werking van de organisatie werden ingepast in het globale overheidsbeleid inzake de ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat de financiering en dus de toegankelijkheid van de thuisverpleging waarborgde.
Hoewel de thuisverpleegkunde soms wordt bestempeld als een ‘niche’ binnen de gezondheidszorg en de thuiszorg, staat ze zeker niet apart. Ze is een volwaardige partner en dienstverlener. Thuisverpleging is cruciaal op de eerste lijn en zorgt ervoor dat zieken niet onnodig naar de tweede lijn hoeven. Het Wit-Gele Kruis ijvert ervoor dat de zorg en de daarmee gepaard gaande taakafspraken en structurele organisatie zo dicht mogelijk bij de zieke gebeuren. In de praktijk werkt de vereniging samen met tal van thuiszorgdiensten. Ook met artsen, ziekenhuizen en ziekenfondsen bestaat er grondig overleg en multidisciplinaire samenwerking. Dat wordt sinds de jaren 1980 door de overheid actief gestimuleerd.
Thuisverpleging is maar mogelijk door de enthousiaste inzet van de thuisverpleegkundigen. Zij vormen het hart van de sector. Met hen komt de zieke elke dag in contact en kan hij zijn vragen, ideeën en beslommeringen bespreken. De meeste thuisverpleegkundigen zijn vrouwen, die vaak deeltijds werken. Ze hebben over het algemeen een positief zelfbeeld en halen veel voldoening uit hun werk. Het beroep maakte een duidelijke professionalisering door. In het begin van de twintigste eeuw werd thuiszorg grotendeels uit naastenliefde gedaan en als een roeping gezien. Tegenwoordig nemen gediplomeerde verpleegkundigen en verzorgsters die taak op zich. Het beroep onderging bovendien een technologisering en toenemende specialisering. De thuisverpleegkundigen worden ook beter omkaderd dan voorheen. Zo kunnen ze sinds de jaren 1960 kiezen uit een brede waaier aan bijkomende opleidingen, specialisatiecursussen en vormingsactiviteiten. Een ander teken van de toenemende professionalisering is de groeiende aandacht voor de verantwoordelijkheid van de verpleegkundigen. In het verleden stonden ze in strikte gehoorzaamheid aan de arts ten dienste van de patiënt. Tegenwoordig zijn ze eerder partners en worden ze gestimuleerd actief mee te werken aan de opmaak van het zorgplan.
Van de thuisverpleegkundigen wordt bovendien verwacht dat ze de behoeften van de patiënten en de mantelzorgers proberen te detecteren. Dat patiëntgericht werken is typisch voor de thuisverpleegkunde. Het is niet alleen goed voor de patiënt, het helpt de verpleegkundigen ook beter hun werk te doen. De directe relatie met de patiënt vormt de essentie van het beroep en maakt de thuisverpleging tot een warm milieu. Dat blijkt ook uit de interviews met thuisverpleegkundigen. De grondslag van het beroep in zeventig jaar dus niet veranderd. Het uitgangspunt van de thuisverpleging blijft een kwaliteitsvolle ondersteuning bieden aan mensen die door ziekte op zorg zijn aangewezen.